Albinodril op de Liphķsterheide

Jelle Hofstra

Op 17 april 2006 vond ik in een sloot op de Lippenhuisterheide tussen normaal gekleurd kikkerdril van de Bruine kikker, een klompje dril waarvan de eitjes niet zwart, maar wit waren. Albino-dril dus.

 

Donkere larven

Dat het hier niet om beschimmeld dril ging was mij meteen duidelijk. Beschimmeld dril kenmerkt zich door de witte, wollige structuur rond de eitjes. Deze eitjes waren glad en glimmend. Na iets dril te hebben meegenomen naar huis, bleek na enkele dagen dat ook de larfjes wit waren. Echte albino’s bleken de dikkopjes na weer een aantal dagen verder echter niet te zijn. De oogjes waren in plaats van rood, donker gekleurd. Na nog een aantal dagen verdween de witte kleur echter en geleidelijkaan werden de larven donker, zoals een normale larve betaamt.

 

Onderzoek

Naar aanleiding van deze vondst wees herpetologe drs. Annie Zuiderwijk, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, mij op een oud artikel van een zekere Smallcombe die onderzoek had gedaan aan de ontwikkeling van witte eitjes en de kruisingsresultaten van de volwassen geworden dieren. In een beek in de buurt van Londen werd in 1938 – net als in mijn geval nu – een wit legsel gevonden tussen tientallen normaal gekleurde eiklompen van de Bruine kikker. Het legsel werd apart opgekweekt en de eitjes ontwikkelden zich tot geheel witte larven. Na enkele dagen kregen de larven echter kleur en toen ze tot kikkertjes metamorfoseerden, waren ze niet meer van normaal gekleurde bruine kikkertjes te onderscheiden. Na nog enkele jaren met deze nakomelingen te hebben gekweekt, bleek na een jaar tussen de nakomelingen een albino kikker te zitten. Een jaar later zaten er tussen de normale larven opnieuw enkele albino’s. Vanaf 1942 zijn er geen verdere waarnemingen meer gedaan. Dit vooral in verband met de oorlogsomstandigheden.

 

Genetische grondslag

Zonder al te technisch te worden is de verklaring van Smallcombe’s waarneming als volgt. Albinisme bij kikkers heeft een genetische grondslag. Slechts één gen is verantwoordelijk voor albinisme. Zodra dat gen in beide ouderparen voorkomt treedt albinisme op. Het eistadium van een embryo bestaat vooral uit het weefsel van de moeder en pas later komen de kleurfactoren van het embryo tot uiting. De eitjes van een volledig albino vrouwtje zijn dus altijd wit, ook al zijn deze eitjes bevrucht door een normaal gekleurd mannetje. De kleuring komt dan pas – zoals in mijn geval – in het larvale stadium tot stand. Omgekeerd kunnen uit normaal gekleurde eieren albino kikkertjes groeien, als de betreffende eitjes de eigenschap voor albinisme van beide ouders hebben. Dan komt het albinisme pas na de metamorfose tot uiting. Het zal duidelijk zijn dat de werkwijze van Smallcombe toen, door mij niet herhaald kon worden. Verder kweken met de uit deze eitjes ontstane kikkertjes is niet mogelijk aangezien de kikkers beschermd zijn en we die dus niet onder ons mogen hebben.

 

Het blijft overigens fascinerend te weten dat de Liphústerheide momenteel een witte kikker herbergt.

 

« terug naar overzicht artikelen WARF-bulletin