Knoflookpad


Knoflookpad (Pelobatus fuscus)


De Knoflookpad dankt zijn naam aan de zwakke knoflookgeur die de pad bij gevaar verspreidt uit de huidklieren. Het is een landdier dat alleen in de paartijd te water gaat. De gedrongen volwassen pad is middelgroot en heeft een lengte van 5-8 cm. Het vrouwtje is groter dan het mannetje. In tegenstelling tot de echte padden (geslacht Bufo) hebben de dieren een gladde huid. De tenen bezitten volledige zwemvliezen.
De Knoflookpad is variabel gekleurd. De bovenzijde vaak groenachtig grijs met modderkleurige en vermiljoenrode, onregelmatige vlekken en stippen. Keel en buik zijn witachtig of geelgrijs en soms ook donkergrijs gevlekt.
Het trommelvlies is niet zichtbaar. De pupil van de opvallende grote uitpuilende ogen, is een verticale spleet, knotsvormig, met het dikke eind naar boven.
De achterpoten bezitten een scherprandig, geelbruine ’graafschopje’ (metatarsusknobbel) aan de binnenzijde van de hiel, dat gebruikt wordt bij het achterwaarts ingraven in de losse, zandige bodem. De Knoflookpad is een absoluut nachtdier, dat overdag diep in de grond zit en ’s avonds tevoorschijn komt om voedsel te zoeken. Bij het beetpakken kan het dier zich opblazen en kreten slaken.

 

Levenswijze
Knoflookpadden paren eind maart – begin april en het mannetje laat dan van onder het water een helder klok-klok-klok horen. Ook het vrouwtje kan onder water geluid produceren.
Bij de paring wordt het vrouwtje - zoals bij meer ’primitieve’ amfibieën het geval is, in de lendenen omklemd. Het vrouwtje zet dikke snoeren af met een doorsnede van ongeveer 2 cm en meestal kleiner dan een meter, waarbij duizenden eitjes worden geproduceerd.
De larve is de grootste van de Europese dikkopjes, en kunnen een lengte van ongeveer 18 cm bereiken. Zulke grote larven zijn – voor zover bekend – in ons land echter nog nooit gevonden. Wel moet men er voor waken de larven niet te verwarren met overwinterende groene kikkerlarven. Tussen eind september en begin maart houdt de Knoflookpad een winterrust. Ze overwinteren ingegraven op een diepte van 90 tot 120 cm.
Vermoedelijk worden Knoflookpadden 10-15 jaar oud.

 

Verspreiding
Knoflookpadden leven, zeer plaatselijk, in de lagere gedeelten van Midden- en Oost-Europa tot aan de Wolga.
De vindplaatsen in Nederland, stroomdalen van beken in het oosten en zuidoosten, zijn uitlopers van het verspreidingsgebied.
Hij wordt voornamelijk gevonden op vlak en zandig, gemakkelijk vergraafbaar terrein, in kleinschalig agrarisch landschap met bos in de nabijheid.
In Nederland is de pad erg zeldzaam en komt voor in Drenthe, Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg. De pad gaat in aantal achteruit. Hij is daarom op de Rode Lijst geplaatst en behoort tot de strikt bedreigde soorten.

 

Bedreiging
Verzuring, verdroging, mestinjectie, toeristische activiteiten en bosaanplant zijn onder meer oorzaken van de ernstige bedreiging.
Knoflookpadden zijn tot nu toe niet gevonden in Fryslân.

 

« terug naar overzicht amfibieŽn