Ringslang

Jelle Hofstra

De Ringslang komt vrijwel in heel Europa voor met uitzondering de noordelijke streken van ScandinaviŽ en Rusland. Doordat het dier erg variabel van kleur kan zijn, zijn er ongeveer een tiental ondersoorten beschreven. Het is de vraag of dit gerechtvaardigd is en er zijn dan ook onderzoekers die dit aantal hebben teruggebracht naar drie. De ondersoort die in ons land voorkomt luistert naar de naam Natrix n. helvetica. Momenteel is men echter met een genetisch onderzoek bezig aan de hand van verzamelde afgeworpen slangenhuiden. Dit omdat de dieren - vooral wat het noorden van ons land betreft - soms nogal wat afwijken wat kleur en tekening betreft. Het onderzoek zal moeten uitwijzen om welke (onder)soort we hier te maken hebben.
 

Uiterlijk

De Ringslang is onze grootste inheemse slang. De vrouwtjes krijgen volgens de literatuur een lengte tot 120 cm en worden in zuidelijke landen zelfs nog langer. De grootste tot nu toe in Fryslân gevonden Ringslangen hadden een lengte van 104 cm (Lippenhuisterheide) en een lengte van 108 cm (Skoaterwold nabij Oranjewoud). Een nog groter dier met een lengte van 115 cm werd een tijd geleden gevonden in . . . en is daarmee vermoedelijk de grootste Ringslang die ooit in ons land is gevonden. Mannetjes blijven iets kleiner dan de vrouwtjes en krijgen een lengte van ongeveer 85 cm. Zoals gezegd kunnen de dieren nogal van kleur en tekening variëren en ze kunnen in het zelfde gebied - zoals rond de Lippenhuisterheide het geval is - zwarte, grijze en olijfkleurige dieren worden aangetroffen. De pupil van de slang is rond. De dieren zijn onderling uit elkaar te houden door vergelijking van het zwart-wit geblokte buikpatroon, dat - net als onze vingerafdruk - voor elk individu verschillend is.

De Ringslang dankt zijn naam aan de twee vlekken achter de kop. Ook de kleur van deze vlekken kunnen nogal variëren. Van oranjegeel tot wit en soms blijven de vlekken zelfs een enkele keer achterwege. In normale gevallen is de ringslang dan ook goed te onderscheiden van de Adder, die is voorzien van een duidelijke zigzagstreep. Toch is voor de leek enige voorzichtigheid geboden. Bij beide soorten kunnen namelijk melanistische dieren (een door genen veroorzaakte zwartkleuring) voorkomen, waardoor zowel de nekvlekken bij de Ringslang als de zigzag bij de Adder niet meer zichtbaar zijn.

 

Biotoop

De Ringslang is een waterminnend dier dat uitstekend kan zwemmen en zich - onder water duikend - zelfs kan voeden met hierin levende dieren als amfibieŽn en vissen. Het dier zal dan ook in een min of meer waterrijk milieu worden aangetroffen, al komen grotere, zwervende dieren soms ook op plekken voor die ver van het water verwijderd liggen. Het dier komt in ons land vooral voor op zandgronden en veengebieden. Hoewel de Ringslang een schuw dier is, houdt hij zich toch vaak op in de menselijke omgeving, waar hij dankbaar gebruik maakt van hooimijten, zaagselbergen, mest- en composthopen om hierin te overwinteren en eieren in af te zetten. Ringslangen zijn erg beweeglijk en kunnen per dag flinke afstanden afleggen. De grootste activiteit wordt waargenomen bij een temperatuur van 17-23 graden C.
 

Onschuldig

In tegenstelling tot onze Adder is de Ringslang niet giftig en een totaal onschuldige slang. Het dier zal meestal zelfs geen poging ondernemen om te bijten. Het lijkt erop dat het dier zich er van bewust is dat de kleine, naar achteren staande tandjes alleen maar geschikt zijn om een gladde prooi als bijvoorbeeld een kikker mee vast te houden en de menselijke huid niet eens kunnen doorboren. Toch is het dier uitstekend in staat zich te verdedigen. Als de slang wordt gevangen - wat overigens zonder ontheffing bij de wet verboden is - dan zal het dier zich in allerlei bochten wringen om te ontsnappen. Mocht dat niet lukken dan is de slang in staat om zijn anale klieren te ledigen, waarvan de stank doet denken aan een combinatie van knoflook en rotte eieren en die lange tijd aan handen en kleding blijft hangen. Mocht ook dit geen gewenst resultaat opleveren dan probeert het dier zich dood te houden. Verkrampt blijft de slang lange tijd liggen, de gevorkte tong slap uit de bek hangend. Sommige dieren zijn in deze toestand zelfs bij machte een bloeddruppel in de bek te produceren door een adertje te laten springen, waardoor alles nog echter lijkt.
 

Leefwijze

In maart ontwaakt de Ringslang uit de winterslaap. Nadat er eind maart tot en met april is gepaard, worden er in de maanden juni/juli eieren op een daarvoor geschikte plek afgezet.
In tegenstelling tot onze beide andere slangen, baart de ringslang geen levende jongen, maar eierleggend. Slangen kennen - uitgezonderd enkele wurgslangen - geen broedzorg. Zodra het vrouwtje haar eieren heeft afgezet dan is haar klus daarmee geklaard en laat ze het uitbroeden verder over aan de natuur. Om de eieren uit te laten komen moet natuurlijk een geschikte plek worden gevonden. Zo kunnen eieren worden afgezet onder mosplakkaten, in holle en vermolmde boomstronken, hopen houtsnippers en in mest- en composthopen. Al deze plekken moeten de dezelfde eigenschappen bezitten. De dieren moeten er gemakkelijk in kunnen komen, er moet ruimte zijn om een groot aantal eieren af te zetten, het moet vochtig zijn en er moet broei in kunnen ontstaan.
Afhankelijk van de grootte en de leeftijd van het vrouwtje kan dat aantal variŽren van 10 tot 40 eieren. Op zeer geschikte plekken worden soms door meerdere dieren eieren afgezet. De eieren die ongeveer zo groot zijn als een tuinboon zijn voorzien van een witte, perkamentachtige schaal en zijn qua vorm en structuur nog het beste te vergelijken met champignons. Dat zullen ook de bosarbeiders hebben gedacht toen ze na de uitbreiding van de golfbaan in Beetsterzwaag hoopjes houtsnippers - waar ringslangen hun eieren hadden afgezet - uitstrooiden. Na het leggen verkleven de eieren met elkaar tot een tros.
Een door mij gemeten broedtemperatuur van een speciaal voor dit doel aangelegde bladhoop op de golfbaan van Beetsterzwaag bedroeg 26 gr. C. Afhankelijk van de broedtemperatuur komen de eieren na acht tot tien weken uit. De jongen hebben een lengte bij de geboorte van gemiddeld 17 cm en wegen dan 5 gram. Ze hebben uit de eierdooier al zoveel reservevoedsel opgeslagen, dat ze bij een ongunstig jaargetijde zonder eten aan de winterslaap kunnen beginnen. Ongeveer een week na de geboorte vervellen de diertjes voor de eerste keer. De ogen worden bij een vervellend dier melkwit doordat zich vocht tussen de oude en nieuwe huidlaag bevindt en het dier ziet op dat moment niet al te scherp. Voor de slang een kwetsbare periode. Als ze net na de geboorte worden lastig gevallen, nemen ze de 'aanvalshouding' aan en kunnen ze ook al gebruik maken van hun anaalklier. De mannelijke dieren zijn na drie jaar geslachtsrijp bij een lengte van ongeveer 50 cm, de vrouwtjes na vier jaar; ze zijn dan ongeveer 65 cm.
 

Gevaren

Voor de jonge Ringslang dreigt tal van gevaren. Vooral bij een te natte, koele zomer sterven er reeds veel diertjes in de eieren af. Bovenop de broeihopen waarin meerdere legsels vaak tegelijkertijd uitkomen wordt de Blauwe reiger (Ardea cinerea) wel gesignaleerd, die zich natuurlijk niet onbetuigd laat.
Bij de broeihoop op de golfbaan van Beetsterzwaag werd een aantal jaren geleden steeds een Buizerd (Buteo buteo) gesignaleerd die zich tegoed deed aan de pas geboren slangetjes. Op nesten van roofvogels worden niet zelden gedode slangen gevonden, die dienen als voedsel voor de jongen. Ook kunnen legsels worden vernietigd door roofzuchtige zoogdieren. De broeihoop op de golfbaan te Beetsterzwaag werd al enkele keren geplunderd door vermoedelijk een Bunzing (Mustela putorius) en aan de Tjonger in Oldeberkoop werden half vergane boomstronken die als eilegplaats van de Ringslang werd gebruikt door de Das (Meles meles) vernield.
Het zijn overigens niet alleen jonge dieren die vroegtijdig sneuvelen. Ook in het verkeer vallen nogal wat volwassen slachtoffers. Zo bleek uit een onderzoek van Janco Mulder uit Ravenswoud dat op een zeer kort traject bij Ravenswoud nabij de FochtelŲerveen werd gehouden, dat in 1999 in zeven maanden tijd maar liefst 34 adders en 57 ringslangen, waaronder 23 volwassen dieren, de dood vonden door het verkeer. Verder speelt de verdroging in Nederland een niet te onderschatten rol aangezien het voedsel van de Ringslang uit hoofdzaak bestaat uit amfibieŽn en visjes. Biotoopvernietiging door wegenaanleg en dorp- en stadsuitbreiding bedreigen de Ringslang evenzeer. Ook is massatoerisme funest voor deze schuwe slang. Gezien het voortdurend stijgende ledental bij vele natuurverenigingen blijkt wel dat de mensen steeds bewuster met de natuur omgaan. Vaak hebben ze echter geen flauw besef wat er zoal aan reptielen en amfibieŽn in een gebied leeft.
 

Nog meer lezen over de Ringslang?

In WARF-bulletin verschenen de volgende artikelen:

« terug naar overzicht reptielen