Rugstreeppad


De Rugstreeppad (Bufo calamita)

De Rugstreeppad krijgt een maximale lengte van acht centimeter maar meet gewoonlijk ongeveer vijf centimeter. Het dier is veel kleuriger dan de Gewone Pad (Bufo bufo). De rug is geelbruin van kleur, met groene, olijfgroene of bruine vlekken. Op de wratten zijn vaak rode vlekjes zichtbaar. Over de rug loopt een zwavelgele streep. De ogen zijn sprankelend geelgroen gekleurd. Het dier heeft korte poten. De parotoïden (gifklieren die zich achter de ogen bevinden) zijn tamelijk groot en wijzen recht naar achteren. Dit in tegenstelling tot de Gewone Pad waarbij elke gifklier een halve maan vormt.


Voorkomen
Het verspreidingsgebied van de Rugstreeppad ligt in West-Europa als een brede aaneengesloten strook vanaf Zuid-Spanje tot en met de zuidrand van Zweden. Nederland ligt aan de noordwestrand van het continentaal areaal. In ons land komt de Rugstreeppad in alle delen van ons land voor, behalve noordelijk Friesland (zeeklei) en de gehele provincie Groningen en het oosten van Drenthe (afgegraven hoogveen). Wel moet hierbij worden aangetekend dat in deze gebieden minder intensief is gezocht. Het dier dat vooral een gravend leven leidt, komt dan ook het meest voor op zandgronden, hoewel niet op alle zandgronden. Het zijn vooral de zandgronden van stuwwallen, stuifzandheuvels, rivierduinen en duinen langs de kust. Op alle waddeneilanden wordt de Rugstreeppad dan ook aangetroffen. Zelfs op Rottumeroog komt de pad voor. In de vijftiger jaren zijn ze hier uitgezet maar sindsdien handhaven ze zich. Verder wordt het dier gevonden in zuidwest Friesland langs de IJselmeerdijk en bovendien in midden Fryslân in heidevelden. De kans is groot dat het dier ook bekend is uit de omgeving van Bakkeveen. Rugstreeppadden worden ook wel pioniers genoemd. Op opgespoten land verschijnt het dier vaak als eerste.

  

Leefwijze
De Rugstreeppad ontwaakt als een van ons laatste amfibieën uit de winterslaap. Van half april tot eind juni is de paarroep van de mannetjes op ruim een kilometer afstand te horen. De dieren die overwegend ’s nachts actief zijn, roepen in koren en het geluid dat ze produceren is hard als van een ratel. Het heeft wel iets weg van het geluid dat veroorzaakt wordt als men met een nagel over een kammetje raspt en dan over zo’n twintig tanden. Bij het kwaken is de keelblaas (resonantieblaas) duidelijk opgezwollen.

De snoeren die door het vrouwtje worden afgezet tellen gewoonlijk tussen de drie- en de vierduizend eieren. De snoeren worden het liefst afgezet in ondiep water waardoor de eieren en larven gauw op temperatuur zijn. Daardoor komen de larven zeer snel tot ontwikkeling. Bij het voortijdig opdrogen van de poel komen echter nogal wat larven om. In juni of juli vindt de metamorfose plaats. De aan land gekropen diertjes hebben dan een lengte van 10-12 mm. In tegenstelling tot de ouders zijn de jonge padjes overdag actief. Een jaar later meten ze ongeveer 2.5 tot 3.5 cm. Na ongeveer drie winters, maar soms reeds na twee, zijn de dieren geslachtsrijp. Rugstreeppadden eten net als de kikker elk bewegend beest mits ze niet te groot zijn. Tot hun prooi behoren o.a. kevers, spinnen, wormen, rupsen en zelfs mieren. Om te overwinteren graven de padden zich op het land diep in. Er zijn volwassen dieren gevonden op een diepte van 120 cm. Half volwassen dieren schijnen zich minder diep in te graven.

  

Bedreigingen

Op Terschelling komen volgens bioloog Hein Strick uit Midsland nog duizenden dieren voor. Hoewel de Rugstreeppad hier dan ook nog niet bedreigd is, nadert hij elders de grens van de rode-lijstcategorie “kwetsbaar”. In sommige delen van het land schijnt het dier wel achteruit te gaan, zoals in de duinen van Zuid-Holland. Dat komt waarschijnlijk door wateronttrekking en eutrofiëring. Een reële bedreiging vormt autoverkeer op wegen die trekroutes kruisen. Zo worden Rugstreeppadden vooral langs de grote rivieren op de dijken slachtoffer van het verkeer.

  

Jelle Hofstra

 

« terug naar overzicht amfibieŽn