Thuisbevalling van een Levendbarende hagedis

Jelle Hofstra

Sinds 1973 vallen al onze amfibieën en reptielen onder de Wet Bedreigde Inheemse Diersoorten (BID-wet). Het is derhalve verboden de dieren te verstoren, te vervoeren, te verhandelen, onder zich te hebben of te doden. Soms ontkomt men echter niet aan handelingen, die tegen deze wet indruisen. Denk maar eens aan de talloze ’paddenacties’ die ieder jaar plaatsvinden, om zoveel mogelijk trekkende padden, vaak in emmertjes, veilig naar de overkant te brengen. Om dezelfde reden meen ik het te kunnen rechtvaardigen om in dit geval een Levendbarende hagedis Lacerta vivipara bij mij thuis te laten bevallen.

 

Zwanger vrouwtje

Sinds 1990 wordt een klein gedeelte van de Lippenhuisterheide door mij gemonitoord. Dat wil zeggen dat het verloop van de reptielen- en amfibieënpopulaties worden bijgehouden. In dit fraaie natuurgebied worden wat reptielen betreft Adder Vipera berus, Ringslang Natrix natrix en Levendbarende hagedis nog gevonden
Op de ronde van 8 juli 1995 zag ik ’s morgens om ongeveer 11 uur op het met schelpengruis bedekte fietspad, dat langs de ’Aldhearrewei’ ligt en dwars door het natuurgebied voert, een hoogzwanger vrouwtje van de Levendbarende hagedis liggen. Het dier lag te zonnen bij een temperatuur van 30-35°C. Wat onmiddellijk opviel was – behalve de enorme omvang – de recentelijk verminkte staart. Hagedisen van het geslacht Lacerta zijn in staat een gedeelte van hun staart af te werpen (autotomie) als ze lastig worden gevallen.
Steeds iets dichter naderend werden foto’s van het dier gemaakt. Van vluchtgedrag was echter een sprake en het diertje liet zich rustig oppakken. Ook opmerkelijk was de fraai oranjegeel gekleurde buik; een kleur die meestal aan mannetjes wordt toegeschreven. Aangezien het fietspad dagelijks door tal van fietsers wordt gebruikt, leek het mij verstandiger het dier enkele meters verder van het pad in de hei te plaatsen. De kans dat het dier onder een fiets zou worden gedood was niet denkbeeldig, gezien de reeds verminkte staart. Toen ik een half uur later opnieuw langs de plek kwam, lag de hagedis weer op het fietspad te zonnen. Hierop besloot ik de wet te overtreden en het dier mee naar huis te nemen.
 

 

Afzetten van de eieren

Thuisgekomen werd het dier ondergebracht in een klein plastic bakje met wat mos, bladeren en boomschors op de bodem. Het bakje werd buiten dusdanig neergezet, dat een smalle streep zonlicht de hagedis desnoods kon opwarmen. Duidelijk was de komende uren te zien dat het diertje last had van persweeën.
Door werkzaamheden kon ik vanaf ongeveer 2 uur ’s middags het moederdier helaas niet langer gade slaan. Het bakje werd voor de zekerheid naar binnen gebracht en afgedekt met een natte theedoek. Toen ik na ruim een anderhalf uur terug kwam, waren er maar liefst 12 eieren afgezet. Lacerta vivipara is ovovivipaar: volledig ontwikkelde jongen zitten in een doorzichtig eivlies en breken direct, na enkele uren en soms na dagen uit het ei. Het lijkt mij dat het uitbreken van de jongen vooral afhankelijk is van de temperatuur. Alle jongen zaten bij thuiskomst nog mooi in het ei. Pas toen hun onderkomen naar buiten werd gebracht en gedeeltelijk in de zon werd geplaatst, begonnen de eerste diertjes in het vlies te bewegen en uit te breken. De laatste eieren kwamen vijf uren na het leggen uit, echter eerst nadat de eieren op de hand waren gelegd, waardoor de warmte de jongen weer activeerde.
 

 

De jonge diertjes

De jonge hagedisjes zitten in ei-pakketjes van plm. 8 x 12 mm. Behalve het donkergekleurde jong, zit in elk ei nog een rest van een eierdooier met een doorsnede van ongeveer 4 mm. Soms rond, soms langgerekt. Deze dooier blijft achter in het ei. Elf jonge diertjes kwamen gezond ter wereld; één stierf direct na de geboorte. De diertjes waren zeer donker gekleurd. De bovenzijde van het lichaam bruinachtig zwart, met tal van onderbroken lengtestreepjes; de achterpoten en staart waren metaalachtig blauw. Op de achterkant van de dijen waren lichte vlekjes zichtbaar. De totale lengte van de jongen varieerde van 40 tot 44 mm, de kop-romplengte van 20 tot 22 mm.

 

Voedsel

Niet lang na het afzetten van de eieren werd het vrouwtje – dat nu danig ingevallen flanken vertoonde, een pas vervelde en met Gistocal (kalk- en vitaminepreparaat) gevoedde meelworm voorgehouden. Gretig werd de prooi verslonden en een tweede en zelfs een derde meelworm volgden. Ook de volgende dag werden drie meelwormen verslonden. Daarna hield de hagedis het eten voor gezien.
De jonge diertjes werden dagelijks gevoerd met bladluizen, die massaal op de Vlier Sambuccus nigra huisden. ’s Morgens werd het bakje iets gesproeid en het water dat langs de binnenkant omlaag liep, werd zowel door het ouderdier als de jongen opgelikt.


Precies een week later werden moeder en kroost weer teruggebracht naar de Lippenhuisterheide, ongeveer op dezelfde plek waar het vrouwtje was gevonden, maar op veilige afstand van het fietspad.
 

 

« terug naar overzicht artikelen WARF-bulletin