Vijf jaren herpetologische waarnemingen op het Griekse eiland Lesbos

Jelle Hofstra. Foto's van de auteur tenzij anders aangegeven

Inleiding

Vanaf 2003 hebben mijn vrouw en ik vijf achtereenvolgende jaren het Griekse eiland Lesbos bezocht en daar waarnemingen gedaan aan de herpetofauna.
Steeds vanaf half mei bezoeken wij dit - nog niet door toeristen overspoelde - eiland elk jaar drie weken lang en steeds op dezelfde plek, namelijk het vissersplaatsje Skala Kalloni. De omgeving daar is vrij vlak en met de fiets dus uitstekend te verkennen. In de maand mei kan het daar al bloedheet zijn. Niet echt optimaal weer dus om dan reptielen en amfibieën te vinden. Maar ondanks dat we al die jaren echter steeds een ’hittegolf’ mee maakten, is het aantal soorten (24 van de ongeveer 27(?) dat wij tot nu toe vonden toch vrij redelijk te noemen, temeer omdat om ’s nachts levende soorten niet echt werd gezocht.
Lesbos is een schitterend eiland voor de natuurliefhebber. Duizenden vogelaars komen hier elk jaar om de trekvogels te bestuderen, maar ook zij die de herpetofauna een warm hart toedragen, kunnen hier aan hun trekken komen. Lesbos ligt op een afstand van ongeveer 15 kilometer ten westen van Turkije en is met zijn oppervlakte van 1630 km² een van de grootste Griekse eilanden in de Egeïsche zee. Helaas is het eiland erg vervuild. Na op de vingers te zijn getikt door de EU, omdat niet aan de doelstelling van de bescherming van de flora en fauna werd voldaan, merken we de laatste jaren echter dat er langzaam een kentering in het denkpatroon van de Grieken komt.

 

AmfibieŽn

 

SYRISCHE KNOFLOOKPAD Pelobates syriacus

De Syrische Knoflookpad is een uitgesproken nachtdier dat overdag in een zelf gegraven holletje leeft. In los substraat kunnen ze zich achterwaarts erg snel ingraven met behulp van de extreem grote metatarsusknobbel. Het dier kan een lengte krijgen tot 9 cm. Mannetjes zijn niet waarneembaar kleiner dan de vrouwtjes en hebben een grote, harde klier op hun bovenarm. De bovenzijde van de pad kan gelig zijn, grijs of wit met grote donkere groene of bruine vlekken. De huid is iets wrattig en de zijden en de rug bezitten vaak kleine rode vlekjes. Bij bedreiging schijnt een sterk geurend secreet te worden afgescheiden dat naar knoflook ruikt en giftig is voor huis- en roofdieren. Voor de mens is het slechts irriterend.     Het geluid dat onder water wordt gemaakt klinkt als een hard clock . . .clock . . . clock . . . De pupil in de grote ogen is verticaal. Het dier wordt vooral gevonden in zandige streken zoals kustduinen, maar ook wel in de nabij van de mens. 

De vrouwtjes zetten tussen de 2000-4000 eitjes af die in drie dagen uitkomen en de dikkoppen kunnen erg groot worden.

Op weg naar huis 's avonds zagen we de pas gemetamorfoseerde dieren de weg oversteken. De lengte was ongeveer 2.5 cm. Van een knoflookgeur werd niks gemerkt

 

 

 

GROENE KIKKER Rana bedriagae
De groene kikkers zijn rondom Skala Kalloni zeer talrijk. Overal waar water is worden ze gezien en gehoord. Zowel ’s nachts als overdag zijn de luide kikkerconcerten niet van de lucht. Het gaat om een flink uit de kluiten gewassen, groene kikker. Wat de roep betreft, maar ook de kleine, platte metatarsusknobbel, ontegenzeggelijk de Meerkikker Rana ridibunda, zoals ook lang gedacht is. Echter, de Duitse onderzoeker Jörg Plötner die studie aan deze dieren heeft verricht, meldt dat het DNA van deze dieren sterke gelijkenis vertoont met die van het Anatolische vasteland (Turkije). Het dier luistert nu naar de naam Rana bedriagae. De dieren, die erg variabel van kleur zijn, zitten vaak uren in de brandende zon en worden in de plaats Kalloni bij honderden in een dan bijna droge betonnen rivierbedding gezien. Het valt op dat ze graag groepjes vormen.

 

BOOMKIKKER Hyla arborea
Langs het Meer van Kalloni - een biotoop bij uitstek -vinden we op onze zoektochten elk jaar maar een enkele Boomkikker. De dieren zitten dan op takken van de bosjes rond het meer. Ook worden ze gezien op de bladeren van een bamboeachtige rietsoort. De oorzaak van het weinig zien van deze soort is vermoedelijk de grote drukte overdag. Dit is namelijk een zeer geliefde plek voor de vele vogelaars die rond deze tijd het eiland in hun ’bezit’ nemen. Maar ook door de voortreffelijke schutkleur zijn deze fraaie helgroene kikkertjes in de struiken erg moeilijk te vinden. Alleen ’s nachts blijkt dat er grote hoeveelheden dieren moeten zitten. Hun gekwaak – samen met dat van de groene kikker - maakt dan een oorverdovend lawaai. In Skala Kalloni werden langs een drassig terrein honderden juveniele dieren gevonden. Ze zaten grotendeels in de - tussen het water en de weg groeiende - struiken van de Dille. Sommigen waren pas gemetamorfoseerd en nog in het bezit van een flinke staart. Zo telden we over een afstand van ongeveer 50 meter meer dan 85 exemplaren. Ze zitten overdag langdurig in de brandende zon en laten zich dan goed bekijken. Om uitdroging door de zon tegen te gaan, maken ze zich bolvormig, sluiten de ogen en trekken de ledematen onder het lichaam. Opvallend zijn hier ook weer de verschillende kleurschakeringen van de diertjes. Behalve groene en bruine, worden zelfs goudkleurige dieren gevonden.

 

 

 

GROENE PAD Bufo viridis
In al die jaren zijn door ons op Lesbos – pas na een regenbui – maar enkele volwassen exemplaren van de Groene pad gevonden. Wel vonden we zo nu en dan een enkel verkeersslachtoffer na een nachtelijk regenbuitje. Juvenielen echter laten zich wel zien. Bij een plas, die toen helaas nog gebruikt werd als vuilstort, wemelde het in 2003 van de pas gemetamorfoseerde Groene padjes. Werkelijk duizenden. Ook in de bijna drooggevallen rivierbedding in Kalloni worden er elk jaar vele honderden Groene padjes geteld. Sommige plekken kleuren donker van de dicht opeen zittende diertjes. Op onze fietstochten langs de rivier naar Kalloni zien we elk jaar weer juveniele padjes het pad oversteken. Het pad is met een soort gravel bedekt en kurkdroog, terwijl de temperatuur soms tegen de 40 graden C loopt. Om verwarring met de groene kikker te voorkomen – die vaak dezelfde kleur hebben, maar volgens ons veel later metamorfoseren - worden de 10-12 mm grote diertjes onder een loupe bekeken en wordt gezocht naar de aanwezigheid van de parotoïden (oorklieren).

 

Reptielen

 

Hagedissen

 

REUZENSMARAGDHAGEDIS Lacerta trilineata
Reptielen zien we genoeg tijdens onze wandel- en fietstochten. Vooral de fraaie groengekleurde Reuzensmaragdhagedis wordt erg vaak waargenomen. Het dier bewoont tal van biotopen. We vinden het  in de tuin van ons appartement, in struikgewas, bermen en op rotsformaties. De dieren krijgen een kop-romplengte van 16-20 cm. De mannetjes zijn effen groen van kleur met een blauwe vlek achter de kaken. De vrouwtjes vertonen lichte lengtestrepen over de rug. Jonge en halfwas dieren zijn bruinachtig met drie of vijf lichtgekleurde lengtestrepen op rug en flank. De Reuzensmaragdhagedis is nauw verwant aan Smaragdhagedis Lacerta viridis. De jongen van de Smaragdhagedis zijn te onderscheiden van de Reuzensmaragdhagedis doordat ze twee of vier lichte strepen hebben. Overigens levert een goede determinatie op Lesbos geen moeilijkheden op, aangezien de Smaragdhagedis hier niet voorkomt. Vrouwtjes zetten gewoonlijk 7-14 eieren af, de jongen worden ongeveer na 11-14 weken geboren.

 

SLANGENOOGHAGEDIS Ophisops elegans
De Slangenooghagedis wordt heel wat minder vaak gezien. Waar ze voorkomen kunnen ze overigens zeer talrijk zijn. Dit slanke, tot 19 cm lang wordende hagedisje heeft de naam te danken aan de aan elkaar vergroeide oogleden. Deze vormen daardoor een doorzichtig venster op de manier die bekend is van gekko’s en slangen. De bruingekleurde dieren – die in het voorjaar meerdere kleuren vertonen - hebben twee dorsale en twee laterale gele lengtestrepen. Deze nieuwsgierige, maar niet erg snelle diertjes leven in uitgesproken droge streken. De grond kan stenig zijn zoals de Griekse eilanden, maar ook leemachtig, met meestal een spaarzame begroeiing. Gewoonlijk worden 3-4 eieren 2 tot 3 keer per jaar afgezet, die tijdens de incubatie nogal opzwellen.

 

HARDOEN Laudakia stellio
Behalve Engelsen en dolle honden, zijn geen levende wezens zo gek om op het heetst van de dag in de zon te gaan zitten, heb ik ooit eens gelezen. Ik zou de Hardoen hier echter aan toe willen voegen. Als alle dieren al een goed heenkomen hebben gezocht, ligt deze hagedis nog volop te zonnen op de door de zon geblakerde rotsen. De Hardoen valt onder het geslacht Laudakia dat wijd verspreidt is in Afrika en Zuid-Azië. Slechts één soort komt in Europa voor. Volwassen dieren kunnen een lengte krijgen tot ongeveer 40 cm. De kleur van de dieren die wij vinden is vrij donker met beigeachtige vlekken.
De dieren zijn overigens in staat iets van kleur te veranderen. De huid op de rug en flanken is bobbelig van structuur, de staart is bedekt met sterk gekielde schubben.
Hun voedsel schijnt te bestaan uit grote insecten zoals kakkerlakken, kevers en sprinkhanen, hoewel ook zacht fruit en bloemen worden gegeten. De dieren zijn vrij schuw en laten zich moeilijk fotograferen. Bij het naderbij komen verdwijnen ze in de spleten van de rotsen, om na ongeveer tien minuten weer voorzichtig te voorschijn te komen. De Hardoen staat bekend om zijn ja-knikkende bewegingen die het dier met de kop maakt. Het vrouwtje legt 6-10 eieren per keer.

 

SCHELTOPUSIK Ophisaurus apodus
Onze eerste kennismaking met de Scheltopusik betrof een doodgereden exemplaar dat aan de kant van een met gravel bedekt pad werd gevonden. De Scheltopusik is een hagedis zonder ledematen en in feite een grote, onschuldige Hazelworm Anguis fragilis, die bijna anderhalve meter lang kan worden. Ze zijn dan zo dik als de onderarm van een kind. Het dier verschilt van de Hazelworm door een zijdelingse lengtegroef en het hebben rudimentaire stompjes aan weerszijden van de cloaca. Deze enkele millimeters kleine stompjes wijzen er op dat de voorvaderen ooit poten bezaten. De lengtegroef wordt bij elke ademhaling van het dier verwijdt of vernauwd. De hoekige kop loopt spits toe en is vaak lichter van kleur dan de lichtkastanjebruine bovenzijde. De schubben zijn ruitvormig. Het dier voelt erg stijf en stug aan en mist de soepelheid van een slang. Een mannelijk exemplaar dat we voor het maken van een foto even in de hand hielden, stulpte de hemipenis als twee cactusvruchten naar buiten Veel dieren worden helaas doodgereden op landweggetjes bedekt met gravel. De dieren komen hier maar moeilijk op vooruit en aangezien de Grieken zo snel rijden als maar enigszins mogelijk is, is plotseling remmen op deze gravel gevaarlijk. Overigens stoppen Grieken zelden voor een reptiel. De Scheltopusik zet 6-10 eieren af en de jongen zijn bij de geboorte slechts 10-12 cm. Zeer jonge dieren van de Scheltopusik zijn door ons nog nooit gevonden. Deze leven schijnbaar erg verborgen. Wel werd zowel een dood als een levend dier gevonden van ongeveer 50 cm. De dieren zijn dan lichtgroen van kleur met donkere dwarsbanden. De Scheltopusik voedt zich met o.a. huisjes- en naaktslakken, maar ook harde insecten en muizen.

 

EUROPESE TJITJAK Hemidactylus turcicus
De tot de gekko’s behorende Europese Tjitjak vinden we ’s avonds op de muren van ons appartement in het schijnsel van de buitenlamp. Het zijn voor gekko’s slanke diertjes met een grote kop en grote ogen, waarmee ze uitstekend kunnen zien. Deze ogen zijn bedekt met een doorzichtige ’bril’ zoals bij slangen het geval is en kunnen dus niet worden gesloten. De kleur van de diertjes is rose-beige en de transparant lijkende huid, die fluweelzacht aanvoelt, is bezet met korrelachtige uitsteeksels. Het dier is in staat om van kleur te veranderen en zich enigszins aan te passen aan de ondergrond. De Europese Tjitjak is een echte cultuurvolger die, wachtend in het licht van de lamp, toevallig voorbijkomende insecten vangt. Voor dit doel laten we ’s avonds dan ook de buitenlamp branden. De hagedisjes moeten zeer voorzichtig worden gehanteerd, aangezien ze snel hun staart loslaten. Vrouwtjes zetten enkele keren per seizoen 1 of 2 eieren af onder stenen, onder dode vegetatie of in de grond.

 

Slangen

 

SLANKE WORMSLANG Typhlops vermicularis

De Slanke wormslang leeft hoofdzakelijk in de grond in tamelijk open terreinen met verspreid liggende stenen. Het dier maakt smalle gangen in de bodem op de manier als wormen dat doen. Ze kunnen worden gevonden door iets ingebedde stenen te keren. In de zomer houden deze slangen zich dieper in de grond op. Dankzij enkele regenbuien werden bij het keren - behalve schorpioenen Bhuttus occitalis - in totaal zes dieren gevonden. Op een avond rond 22.00 uur werd nog een levend exemplaar op de weg gevonden onder het schijnsel van een lantaarn en tot twee keer toe werd een dood exemplaar gevonden. Het dier lijkt op een glanzende droge worm, maar het lichaam heeft geen segmenten en is bovendien bedekt met kleine, glanzende schubjes. Deze slang kan een lengte krijgen van ongeveer 35 cm. Het uiteinde van de staart is dikker dan de kop. Het grootse exemplaar dat we vonden had en lengte van 29 cm. De ogen zijn erg klein en rudimentair en bedekt met schubben. Ze kunnen alleen licht en donker onderscheiden. Om voedsel te zoeken gebruikt het dier het reukorgaan in plaats van de ogen. Het voedsel bestaat in hoofdzaak uit mieren en mierenpoppen. In mei en juni legt het vrouwtje - dat niet van het mannetje te onderscheiden is – ongeveer 6-7 eieren met een lengte van ongeveer 11 cm.

 

 

 

DOBBELSTEENSLANG Natrix tessellata
De Dobbelsteenslang werd door ons in meerdere watertjes gezien. Zo ook in een watertje nabij het Meer van Kalloni. Het ging hier om tal van dieren die met het warme weer voortdurend heen en weer zwommen. De lengte van de dieren is ongeveer 80-100 cm en de kleur overwegend grijs met gelijkmatige donkere vlekken. De kleur kan echter variëren. Er werd in deze vijf jaren zelfs tot tweemaal toe een geheel zwarte Dobbelsteenslang gezien. Evenals bij de Ringslang het geval is, worden de vrouwtjes groter dan de manetjes. Deze slang is meer dan welke Ringslangachtige dan ook aan het water gebonden. Het merendeel van zijn tijd brengt het dier hierin door en het kan aanzienlijk lang onder water blijven. Zont 's morgens lang, meestal in struikjes, maar ook onder in rietkragen. Bij verstoring laat ze zich bijna geruisloos in het water zakken. Ze paren in mei/juni en het vrouwtje legt 10-25 leerachtige eieren in organisch materiaal. De eieren lijken op die van de Ringslang. De jongen die begin sepember uitkomen zijn ongeveer 24 cm lang. Het voedsel bestaat bijna geheel uit vis. Wanneer men hem vastpakt, braakt hij onmiddelijk het grootste deel van zijn maaginhoud uit. Het begeleidend gesis is een effectieve, maar puur passieve, reflexmatige verdediging, omdat hij evenals onze Ringslang, zelden bijt. Bij belaging scheidt ook de Dobbelsteenslang een vies ruikend secreet af uit de cloaca.

 

 

 

 

GESTREEPTE RINGSLANG Natrix n. persa
De Ringslang Natrix natrix kent meerdere ondersoorten. Komt in ons land de ondersoort Natrix n. helvetica voor, op Lesbos vinden we de ondersoort Natrix natrix persa.
Het dier gedraagt zich precies eender als onze eigen ondersoort. Ook de tekening komt wel in grote lijnen overeen, met dit verschil dat ze meestal twee lichte lengtestrepen op het lichaam bezitten. Nabij het moeras, waar ook de juveniele Boomkikkertjes werden ontdekt, werden deze
slangen vooral in 2005 gevonden. Aangezien de paartijd was aangebroken, verloren de slangen alle voorzichtigheid uit het oog. Langs de hoge kant van de weg in de berm was het een komen en gaan van de dieren. Vermoedelijk mannetjes die op zoek waren naar een partner. Ook in het water waren ze erg actief. Terwijl ik gehurkt aan de kant van het water zat om foto’s te maken, kwam gedurende een flinke poos de een na de ander Ringslang op het droge om daarna het water weer op te zoeken. Sommigen waren zich in het geheel niet bewust van mijn aanwezigheid en kropen zelfs over mijn schoenen. De dieren leken mij slanker en kleiner toe dan ik van onze Ringslang gewend ben.

 

ZANDBOA Eryx jaculus turcicus
De grote familie der Boa’s wordt in Europa slechts vertegenwoordigd door het geslacht Eryx. De Zandboa vertoont weinig overeenkomsten met de rest van de familie. Het dier heeft een korte, stompe staart, geen duidelijke afscheiding tussen kop en lichaam en zeer kleine ogen met een spleetpupil. De snuit hangt iets over en heeft de vorm van een beitel. Het dier bewoont dezelfde biotoop als de Slanke wormslang en ook de Zandboa werd pas gevonden na een regenbui. Bij de schemering en ’s nachts kan hij te voorschijn komen en schijnt dan tamelijk snel te zijn. Het dier wordt gewoonlijk slechts aangetroffen als het naar boven wordt geploegd of bij het keren van stenen. Ook hier moeten de stenen iets ingebed zijn. De eerste Zandboa die we onder ogen kregen was een dood exemplaar dat door vakantiegangers was gevonden nabij het Meer van Kalloni. Door het keren van talloze stenen werden uiteindelijk drie exemplaren gevonden. Ze hadden een lengte van ongeveer 30 cm en kunnen volgens de literatuur tot 80 cm lang worden. Geheel tegen de verwachting in werd ook een dier van 65 cm lengte op klaarlichte dag gevonden, dat op het warme zand lag te zonnen. De vrouwtjes baren 6-20 levende jongen die 12 tot 15 cm lang zijn.

 

LUIPAARDSLANG Zamenis (Elaphe) situla

Toen we na een zoektocht terug kwamen bij ons appartement, hing er een plastic zak aan de deurknop met een briefje: pas op Luipaardslang! Inderdaad zat er een schitterend gekleurde, maar helaas dode slang in. Het dier was overreden. De slang had een lengte van 44 cm en was gevonden door twee dames nabij het klooster van Metòchi. De Luipaardslang is ongetwijfeld de mooiste slang van het eiland Lesbos. Met zijn roodbruine en zwart omlijnde vlekken op de rugzijde (luipaardvlekken) is het een zeer opvallend dier. Ook komen in de lengte gestreepte exemplaren voor. De lengte van de slang is meestal 70-90 cm, soms een enkele keer 100 cm. De vrouwtjes worden iets groter dan de mannetjes. Bij de paring die enkele uren kan duren, worden vrouwtjes door het mannetje in de nek gebeten. De eierleggende slang die om het jaar haar eieren afzet, is overdag actief en bewoont tal van biotopen, zoals wegbermen, akkers, steenhopen en stapelmuurtjes. Het dier leeft vaak dicht bij mensen en wordt dan gevonden in oude schuren en zelfs in huizen. De Luipaardslang is een rustig dier dat zich voedt met kleine knaagdieren, jonge nestvogels en hagedissen, die worden gedood door verwurging. De trefkans is gering door zijn verborgen levenswijze.  Ondanks het voorkomen in tal van biotopen, is het dier in al die jaren op Lesbos niet een keer door ons levend aangetroffen. In de buurt van Skala Kalloni lijkt de Luipaardslang dan ook niet echt bekend te zijn.  De vrouwtjes zetten 2-8 eieren af die na 6-9 weken uitkomen.

 

GEVLEKTE TOORNSLANG Hemorrhois (Coluber) nummifer

In 2007 werd door ons een slang gefotografeerd die we niet direct op naam konden brengen. Het dier kroop bij onze nadering net in een stapelmuurtje. Van het lichaam hebben we zo snel nauwelijks iets kunnen zien. Plotseling stak het dier de kop boven tussen de stenen uit en gaf mij de gelegenheid hem te fotograferen. Direct daarna werd de kop weer snel terug getrokken en hebben we het dier niet terug gezien. In eerste instantie werd gedacht aan een bruine variatie van de Ottoman Adder Vipera xanthina. Bij het bestuderen van de foto op de computer sloeg de twijfel toe. De slang op de foto had een ronde pupil. Er werden enkele, zowel Nederlandse als Belgische specialisten geraadpleegd. De uitkomst was verrassend en spectaculair. De slang werd uiteindelijk gedetermineerd als zijnde een Gevlekte Toornslang (oude naam Muntslang), een dier dat nog niet eerder op Lesbos was waargenomen. De slang is wel bekend van meer zuidelijk gelegen eilanden.  Deze ongeveer een 140 cm lang wordende slang is grijs, bruin of olijfgrijs van kleur. Het lichaam is bezet met grote, donkere vlekken, terwijl de staart gestreept is. De pupil is rond en tussen de ogen loopt een donkere baan en op de kop twee accoladeachtige vlekken. De slang leeft op steenachtige plekken die zonnig en droog liggen en struiken bevatten. Het voedsel bestaat uit kleine vogels, hagedissen en zoogdiertjes, die eerst door de slang worden gewurgd. Het vrouwtje zet per keer 4-10 eieren af.

 

PIJLSLANG Coluber caspius
Onze eerste ontmoeting met de Pijlslang was een dier dat in de tuin van het appartement werd aangetroffen. Gewapend met de fotocamera was ik ondanks de grote hitte toch nog even op zoek naar hagedissen (over Engelsen en dolle honden gesproken). Toen ik in de hoge vegetatie geritsel hoorde en ik even rondkeek, zag ik uit een holletje onder een olijfboom een slangenstaart steken. Toen ik het dier voorzichtig naar buiten trok, dit om vooral geen wervels te beschadigen, scheen er aan de lengte bijna geen einde te komen. Het bleek een Pijlslang te zijn met een lengte van naar schatting tussen de 180-200 cm. Het dier kan zelfs tot 2.50 m lang worden en is daarmee een van de langste slangen van Europa. Het is een overdag actieve slang die zeer snel is. Het dier leeft in droge, open biotopen, met enige vegetatie, maar ook met struikgewas, stapelmuurtjes en rotshellingen. De slang valt onder de toornslangen en het dier deed zijn naam dan ook eer aan. Het ging meteen in de aanval en ik had de grootste moeite de slang – bij de staart houdend – van mij af te houden. Keer op keer bracht de slang het lenige lichaam omhoog en viel met open bek bliksemsnel aan. Hoewel het dier niet giftig is kan het gemeen bijten. Ooit werd ik in mijn pink gebeten door een Balkantoornslang Coluber gemonensis die slechts 60 cm lang was. Het dier bleef een minuut lang kauwende bewegingen maken voor het uiteindelijk losliet en ik voelde de tandjes steeds dieper en pijnlijker het vlees binnen dringen. Lostrekken is niet aan te raden vanwege de naar achteren staande tanden van de slang. Overigens leverde de kauwende slang en de heftig bloedende pink fraaie videobeelden op. Deze Pijlslang was drie keer zo lang; een reden te meer om op veilige afstand te blijven. Hoewel Grieken niets met slangen hebben wist een buurman van het appartement te vertellen, dat ze deze slang graag in hun buurt zagen, aangezien ze heel goed wisten dat het een grote muizenverdelger is. Te dicht in de buurt was echter niet meer leuk. Zo vertelde de eigenaar van het appartement eens vol trots dat hij net een grote slang – die tussen het hooi in de schuur van zijn ’farm’ zat - had onthoofd. Toen ik de man er op attent maakte dat het hier om een onschuldige en erg nuttige slang ging, haalde hij de schouders op en zei: ’beter hij dood dan ik’. Het vrouwtje zet 5-18 eieren af. De jongen zijn bij de geboorte ongeveer 30 cm lang en levendig getekend.

 

HAGEDISSLANG Malpolon monspessulanus
Een andere grote slang die op Lesbos voorkomt is de Hagedisslang. Het is een dier dat wordt aangetroffen in warme, droge biotopen en het geeft de voorkeur aan open rotsachtige en zandige terreinen, maar wordt ook wel gevonden in open bossen en bouwland. Het dier is te herkennen aan het smalle frontaalschild, de overhangende ’wenkbrauwen’, de grote ogen en de bovenkaak die voorbij de onderkaak steekt. Bij enkele verkeersslachtoffers waren al deze kenmerken goed te zien. Ook dit is een agressieve slang, waarvan de volwassen mannetjes een lengte kunnen bereiken van twee meter; de vrouwtjes worden meestal niet groter dan 1.40 m. Het dier is giftig en de giftanden staan achter in de bek. De beet bij prooidieren (hagedissen, slangen en zoogdieren) moet daarom zorgvuldig gebeuren. De prooidieren worden binnen enkele minuten gedood. Een beet bij de mens openbaart zich door stijfheid en door verlamming en zwelling van het gebeten lichaamsdeel. Er kan zelfs koorts ontstaan. Al deze symptomen verdwijnen gewoonlijk na een paar uren. Ik betrapte een Hagedisslang die net een volwassen Reuzensmaragdhagedis had gevangen en daarmee onder een struik vluchtte. Toen ik een kwartiertje opnieuw langs de plek kwam, lag de slang er nog, maar was er van de hagedis al niets meer te zien. De vrouwtjes leggen gewoonlijk 4-14 langgerekte eieren die na ongeveer twee maanden uitkomen.

 

SLANKE TOORNSLANG Coluber najadum
De Slanke toornslang werd door ons in al die jaren slechts drie keer gevonden. Om reptielen en amfibieën op te sporen is het een beproefd middel stenen, hout en dergelijke om te keren. Op de eerder genoemde vuilstortplaats werden door ons dan ook stenen en oude dakpannen gekeerd. Onder een van die dakpannen lag een fraaie Slanke toornslang. Het is bekend dat het dier bijzonder snel is. Nog voor ik het dier kon grijpen was het al vertrokken. Verder trof ik op een ochtend een zonnend exemplaar aan op een grote steen. Een ander exemplaar schoot met grote snelheid voor mijn voeten vandaan. Zoals de naam al aangeeft is dit een slang met een slank lichaam, dat gewoonlijk niet langer is dan 80 cm. Zijn grote ogen duiden op een uitstekend gezichtsvermogen. Het voedsel bestaat uit hagedissen, kleine knaagdieren en insecten. Onmiskenbaar zijn de donkere vlekken op de halsstreek. Vrouwtjes leggen 3-16 erg langgerekte eieren, de jongen zijn bij de geboorte 30 cm lang.

 

KLEIN-AZIATISCHE ADDER Vipera xanthina
De enige echte gifslang die op Lesbos voorkomt is de Klein-Aziatische Adder, ook wel Ottoman Adder genoemd. Het dier komt voor in West- en Centraal Anatolië tot ongeveer aan Kayseri, plaatselijk in Grieks en Turks Thracië en op enkele Griekse eilanden. De slang kan een lengte bereiken van 120 cm. Behalve enkele verkeersslachtoffers, hebben we slechts vier keer een levend exemplaar ontmoet.
De dieren hadden een lengte van meer dan een meter, waren zo dik als de pols van een volwassen man en drie daarvan waren grijs van kleur met een zwarte zigzagstreep. De grondkleur kan echter ook bruin of zandkleurig zijn, zoals we een keer zagen. Evenals bij onze Adder Vipera berus schijnen de mannetjes contrastrijker te zijn getekend dan de vrouwtjes. De buikzijde is grijzig of rossig met een donkere marmering of vlekkentekening, zoals we konden zien bij verkeersslachtoffers. Vipera xantina is een dagactieve slang, maar op warmere delen van het jaar ook ’s nachts, iets wat ook van onze Adder wordt beweerd. Het dier is traag, maar schijnt als het geïrriteerd raakt, snel aan te vallen. Wat de giftigheid betreft kan gezegd worden dat het een zeer gevaarlijke slang is, waarvan de beet zonder behandeling fataal kan zijn. Evenals dat bij onze Adder het geval is, schijnen er overigens weinig slachtoffers te vallen. De ongelukken die er al gebeuren, zijn vaak aan onvoorzichtigheid te wijten. De Grieken weten heel goed dat de Osjà, zoals deze slang wordt genoemd, erg gevaarlijk is. De Ottoman Adder is levendbarend en werpt normaal 2-15 jongen.

 

Schildpadden

 

Lesbos wordt ook wel het vogeleiland genoemd. Echter voor hetzelfde geld had men het schildpaddeneiland kunnen noemen. De aantallen schildpadden zijn overweldigend. Moet men om landschildpadden echt op zoek gaan, de moerasschildpadden zijn overal massaal aanwezig.

 

MOORSE LANDSCHILDPAD Testudo graeca
Een duinachtig terreintje lang de Baai van Kalloni wordt door ons al die jaren op landschildpadden onderzocht en het blijkt dat het aantal dieren helaas langzaam afneemt. Deze smalle kuststrook is naar schatting een kilometer lang en op zijn breedst 100 meter. Maar liefst rond de zestig landschildpadden werden hier het eerste jaar geteld. Het gaat op Lesbos om de ondersoort Testudo graeca ibera. Het terrein is begroeid met russen en diverse grassen, afgewisseld met bloeiende planten als Kamille en Klaproos. Her en der staan stekelige struiken van een fraaie Wolfsmelk. Zoals op geheel Lesbos het geval is, is het gebied erg vervuild met allerlei troep die hier door de bewoners en badgasten wordt gedumpt. De gevonden dieren worden elk jaar door ons gemerkt met een zwarte viltstift om dubbeltelling te voorkomen. Na een aantal weken is van dit merkteken nauwelijks iets te lezen, aangezien de stift niet zo watervast is als wordt vermeld en natuurlijk door slijtage. Opvallend is dat de populatie steeds hoofdzakelijk uit jonge dieren bestaat. De kleinsten hebben een lengte van nauwelijks vijf centimeter, oplopend tot ongeveer 14 cm. Van de heel jonge dieren is het geslacht nog niet te bepalen, maar de iets oudere dieren blijken steeds vrouwtjes te zijn. Een enkele keer wordt er ook wel een volwassen vrouwtje gevonden. Het verschil in sexratio is misschien wel te verklaren. In het voorjaar zijn de mannetjes vaak op zoek naar vrouwtjes, terwijl de volwassen vrouwtjes op zoek zijn naar een geschikte legplaats. Alle schildpadden zien er steeds goed doorvoed uit, ondanks de vele teken die – vooral op iets grotere exemplaren – worden aangetroffen.

 

KLOKSCHILDPAD Testudo marginata
Ook brachten we enkele keren een bezoek aan het ’Lesbian Wildlife Hospital’, dat wordt beheerd door het Nederlandse echtpaar Joris en Ineke Peeters-Lenglet. Gewonde en zieke dieren worden hier verzorgd om ze - indien mogelijk - weer in de vrije natuur uit te zetten. Zelfs de nodige operaties kunnen hier worden verricht. Ook liepen er in 2003 enkele opgevangen landschildpadden rond, waaronder een vrouwtje van de zeldzame Klokschildpad. Het dier is van het eiland zelf afkomstig. Sporadisch wordt er een dier op Lesbos gevonden en dit was het zesde exemplaar. Overigens wordt het voorkomen van deze schildpad in de literatuur nergens vermeld. Het kan dus best om ingevoerde dieren gaan. Dr. Makis Axiòtis, die leeft en werkt op het eiland en daar zelf drie Klokschildpadden vond, is echter van mening dat er op het eiland een kleine populatie voorkomt. (pers. med.) Joris Peeters deelt deze mening overigens. Sinds een aantal jaren worden er in het hospitaal jongen geboren die een kruising zijn tussen de Testudo marginata en Testudo graeca ibera. De bedoeling was deze bastaards ooit weer uit te zetten op het eiland. Op zich een verwerpelijk plan. Als er inderdaad van nature Klokschildpadden op Lesbos voorkomen, dan zou een kweekprogramma dat aan strenge eisen voldoet en goed onder controle staat, waarschijnlijk de enige realistische mogelijkheid zijn tot redding van de populatie.
Wij hebben hierover contact op genomen met de beheerders van het ’Lesbian Wildlife Hospital’. En met succes. In 2006 kregen wij een berichtje dat de eerste ’zuivere’ Klokschildpad in het hospitaal was geboren. De vader is een dier dat van het eiland Paros afkomstig is.

 

KASPISCHE BEEKSCHILDPAD Mauremys rivulata
Er is geen watertje in de buurt van ons vakantieadres of we vinden daarin de Kaspische Beekschildpad. Van alle kanten wordt het geplons van wegvluchtende dieren gehoord, zelfs in de kleinste slootjes. Deze slootjes zijn vaak erg modderig, zodat de vluchtende dieren in het water een wolk van modderdeeltjes opwerpen. Zo werden in 2003 in een langs de weg lopende sloot over een lengte van 200 meter eens meer dan 60 moerasschildpadden geteld. De schildlengten van de volwassen dieren schommelen rond de 20 cm. De dieren verspreiden als ze worden beetgepakt als afweermiddel een vieze en erg doordringende muskusachtige geur. Vaak worden er ook zeer jonge dieren gezien van ongeveer 3 cm lengte. De kleine diertjes zouden volgens deskundigen jongen van het vorige seizoen zijn. Volgens de literatuur zetten de schildpadden de eieren af rond de tijd dat wij daar verblijven – midden mei dus. Aangezien de incubatietijd ongeveer 60 dagen bedraagt, kunnen de diertjes half juli worden geboren. Ze hebben dan nog enkele maanden de tijd om zich vol te eten en te groeien. Bij mij in gevangenschap geboren dieren vertonen vaak na een week al de eerste groeiringen. De gevonden jonge diertjes zijn te klein om al twee maanden oud te zijn en ook de groeiringen ontbreken. De twijfel bleef. Tot we een kleintje met een schepnetje konden vangen. Bij dit diertje was het buikschild op de plek waar de dooierzak ooit gezeten had, nog niet helemaal gesloten. Een bewijs dat het diertje nog maar enkele dagen oud was. Ik denk dan ook dat dit geen diertjes van vorig jaar zijn, maar dat we hier te maken hebben met wat ’diapauze’ genoemd wordt. Een soort schrikkeldraagtijd, waarbij de groei van het embryo in het ei een poos stopt om daarna, op een meer gunstig tijdstip, weer tot ontwikkeling te komen en de diertjes in de maand mei worden geboren.
Deze waterschildpadden eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Dat ze verre van kieskeurig zijn bleek toen we op een plek kwamen waar de dieren regelmatig met brood werden gevoerd. De dieren zijn hier zo aan gewend dat ze bij onze komst massaal kwamen aangepeddeld.

 

EUROPESE MOERASSCHILDPAD Emys orbicularis
De Europese moerasschildpad werd heel wat minder vaak waargenomen. De dieren zijn erg schuw en laten zich bij de minste onraad onmiddellijk in het water glijden. Er bestaan van de Europese moerasschildpad ook tal van ondersoorten. De ondersoort uit Griekenland luistert naar de naam Emys orbicularis hellenica. De Europese moerasschildpad had vroeger een veel groter verspreidingsgebied en kwam zelfs in onze streken voor, getuige een vondst van een rugpantser dat in 2002 bij opgravingen bij de Boven Tjonger bij het Friese Oosterwolde naar boven kwam. De dierresten worden op een ouderdom van 7000 jaar geschat. Zie: (Fossiele) Vondsten van de Europese moerasschildpad op deze site.
De Europese moerasschildpad is een vrij donker gekleurde schildpad met een gele stralen- of vlekkentekening. Al naar gelang de ondersoort en ouderdom vertonen ze bijna alle denkbare overgangen van een volkomen donker en vlekkeloos pantser tot een heldere, straalsgewijze streeptekening. In het vaak lichter gekleurde buikschild bevindt zich een dwarsscharnier, waardoor het buikschild enigszins beweegbaar is. Hoewel vaak wordt geschreven dat Emys orbicularis de voorkeur geeft aan rustige, heldere meren, deelt hij zijn biotoop vaak volop met Mauremys rivulata. Ook van de Europese moerasschildpad werden in de maand mei pasgeboren diertjes gevonden. Deze moerasschildpad kan erg oud worden. Uit de literatuur is een geval bekend waarbij een dier in gevangenschap de leeftijd van 120 jaar bereikte.

 

« terug naar overzicht artikelen WARF-bulletin